13.12.2017
Kennel Ansarodo
Puppies te koop
nesten Mastino
nesten AM Bulldogs
R.I.P Mastino's
R.I.P AM Bulldogs
Informatief
JoomlaWatch Agent
JoomlaWatch 1.2.12 - Joomla Monitor and Live Stats by Matej Koval
JoomlaWatch Visitors


36%Israel Israel
32.9%Netherlands Netherlands
24.2%United States United States
2.4%Canada Canada
1.8%Belgium Belgium
1.2%Russian Federation Russian Federation
0.6%Finland Finland
0.6%Germany Germany

Gisteren: 1
Deze Week: 5
Vorige Week: 62
Deze Maand: 68
Vorige Maand: 41
Totaal: 166


JoomlaWatch Users
Mastino Napoletano ras standaard PDF Afdrukken E-mail

Rasstandaard van de Mastino Napoletano

Algemeen
De Mastino Napolitano is een waak- en beschermhond bij uitstek. Hij is groot van stuk, sterk gebouwd en stoer. Hij heeft een rustiek, maar tegelijkertijd majestueus voorkomen. Hij is fors en moedig, intelligent van uitdrukking, evenwichtig van aard, gewillig, en niet agressief. Hij is ongeëvenaard in het verdedigen van zijn baas en diens eigendommen.
Het lichaam geeft een totaalbeeld van een zware, zeer brede, uiterst robuuste hond, waarvan het lichaam langer is dan de schouderhoogte. Hij is harmonieus in verhouding tot zijn afmetingen en betrekkelijk evenwichtig ten aanzien van zijn profiel. De huid is niet vastgehecht aan het onderliggende bindweefsel, maar los, in het bijzonder aan het hoofd. Daar vertoont de huid rimpels en plooien. Aan de hals vormt ze een keelhuid.

Hoofd

Het hoofd is brachycefaal (kortschedelig), massief, kort, en tussen de jukbeenderen is de schedel breed. De totale lengte van het hoofd bedraagt ongeveer 3/10 van de schouderhoogte. De lengte van de snuit is ongeveer 1/3 van de totale lengte van het hoofd. De schedelbreedte tussen de jukbeenderen is groter dan de totale lengte van het hoofd. De totale schedelindex bedraagt 66. De lengteassen van schedel en snuit lopen parallel. De huid vertoont overvloedige plooien.
Typisch voor de Mastino zijn de in flauwe rondingen verlopende plooien vanuit de ooghoeken naar de mondhoeken. De neus staat op een lijn met de neusrug. Van opzij gezien moet de neus niet voor de lippen uitsteken. Van voren gezien loopt er over de neus een loodrechte groef. De neus moet royaal zijn, met grote, goed geopende, vochtige en brede neusvleugels. De pigmentatie varieert met de kleur van de vacht: zwart bij zwart behaarde, donker bij anderskleurige en bruin bij reebruine exemplaren. De neusrug is recht. De breedte moet ongeveer 20% van de totale lengte van het hoofd bedragen, en 50% van de lengte van de neusrug. De lippen zijn dik, vlezig, afhangend en zwaar. De bovenlippen hebben van voren gezien een omgekeerde V-vorm. Ze zijn afhangend, waardoor de snuit van voren gezien goed is ontwikkeld. Bovendien leveren de parallel verlopende lippen een, van opzij gezien, vierkante snuit op. De onderlijn van de snuit wordt, van voren gezien, door de lippen bepaald. Het dieptepunt ervan wordt echter niet door de lippen maar door de mondhoeken bepaald, die door duidelijk zichtbare slijmhuid worden afgetekend. De slijmhuid moet zichtbaar zijn in de spleet tussen boven- en onderlippen. Van opzij gezien toont de onderste lijn van de snuit een gebogen lijn, die vanaf de neus doorloopt tot onder de stop.
De kaken zijn krachtig en goed ontwikkeld, met goed op elkaar passende tanden. De zijden van de bijzonder krachtige onderkaken neigen vooral aan de achterzijde tot een kromming. Het voorste deel van de onderkaak moet zeer goed ontwikkeld zijn en nooit gebogen, waardoor de lippen worden gesteund en geleid. De stop wordt gevormd door het punt waar voorhoofdsbeen en neusrug samenvallen. De stop moet, vanaf de neusrug gemeten, een hoek van 90° vormen. Tussen voorhoofd en neuspunt moet de hoek 120- 130° bedragen. De lengte van de schedel moet ongeveer 2/3 van de totale hoofdlengte zijn. De breedte (dat is de afstand tussen de juk- beenderen) moet ongeveer gelijk zijn aan de lengte. De jukbeenderen zijn zeer goed zichtbaar en lopen ver naar buiten door, waardoor goede aanhechtingspunten ontstaan voor kaken en kauwspieren. Van de voorkant gezien lijkt de schedel rond. Van opzij wordt deze vorm ook benaderd, behalve op het gedeelte tussen de oren, waar de schedel vlak is. De schedelgroef en achterhoofdsknobbel zijn duidelijk waarneembaar

Gebit

De tanden passen goed op elkaar. Een schaar- of tanggebit. De snijtanden van de bovenkaak moeten met hun achterzijde de voorzijde van de snijtanden in de onderkaak raken, of beide komen direct met de kauwvlakken op elkaar. De tanden zijn wit, regelmatig en wat hun ontwikkeling betreft volledig en voltallig.

Oren

Zijn in verhouding tot de schedel klein, driehoekig en ver boven de jukbeenderen geplaatst. Liggen plat tegen de wangen. Ze mogen niet verder reiken dan tot het midden van de kaak. Het oor staat bij de aanzet rechtop en hangt dan plotseling naar voren.

Ogen

Het ooglid moet goed tegen het oog liggen, dus geen ectropion of entropion. Het geopende oog is min of meer rond van vorm maar de slappe en in overvloed aanwezige hoofdhuid erboven maken de ogen kleiner waardoor ze ovaal van vorm lijken. De ogen liggen diep. De kleur is afhankelijk van de beharing zwart, grijs of bruin, maar meestal donkerder.

Lichaam

De hals is kort, gedrongen en buitengewoon gespierd. De lengte van de hals (gemeten in de nek vanaf de achterhoofdslijn tot aan de schoft) is ongeveer 3/10 van de schouderhoogte. De omvang van de hals in het midden gemeten, bedraagt ongeveer 8/10 van de schouderhoogte. Ongeveer 1/3 deel vanaf.het hoofd is de hals lichtelijk gekromd. Het onderste gedeelte heeft veel losse huid, waardoor een keelhuid wordt gevormd die niet overvloedig mag zijn en duidelijk verdeeld is over links en rechts.
De keelhuid begint aan de onderkaak, en reikt tot ongeveer hét midden van de hals. De schouders moeten lang, enigszins schuin en goed van elkaar gescheiden zijn. Ze hebben lange, sterk ontwikkelde spieren, teneinde een goede beweging te waarborgen. De lengte is ongeveer 3/10 van de schouderhoogte. De kromming naar horizontaal is 50-60°. Als men de romp van boven beziet staan de uiteinden van de schouderbladen iets naar elkaar toe. Als men het rugoppervlak in aanmerking neemt, lijken ze echter verticaal te staan. De lengte van het lichaam (gemeten van de top van het schoudergewricht of de punt van het borstbeen tot aan het zitbeen) moet ongeveer 10% langer zijn dan de schouderhoogte.
De borst moet breed zijn, en uitzonderlijk goed ontwikkelde borstspieren hebben. De breedte van de borst, die door de borstkas wordt gevormd, dient aan het onderste begrenzingpunt (tussen de ellebogen) ongeveer 40-45% van de schouderhoogte te zijn. De punt van het borstbeen moet zich op dezelfde hoogte bevinden als het schoudergewricht. De borstkas is breed en reikt tot de ellebogen of iets daaronder, met een goede ronding op de halve hoogte. De doorsnede verkleint zich enigszins om het borstbeen, zonder echter een soort kielvorm te krijgen. De ribben zijn lang, goed gebogen, schuin en ver doorlopend met brede tussenruimten. De laatste zwevende ribben zijn lang, schuin en goed geopend. De omvang van de borstkas moet ongeveer 1/4 meer bedragen dan de schouderhoogte. Voor de ronding gemeten is de omvang circa 10 cm kleiner. De doorsnede blijft echter altijd nog 32%. De borstdiepte bedraagt ongeveer 50-55% van de schouderhoogte.
De thoraxindex mag niet groter zijn dan 8, eerder iets minder. De onderzijde van de borstkas toont van opzij gezien een uitgerekte halve cirkel, die bij de buik licht oploopt en dan verder rechtlijnig verloopt. De rug toont van opzij gezien een rechte lijn, die slechts door de schoft wordt onderbroken. De rug is breed. De lengte is 32% van de schouderhoogte. Tussen de lendenen en de rug dient er een overgang te zijn die van opzij gezien met een lichte ronding moet verlopen.
Goed ontwikkelde spieren over de gehele breedte. De lengte moet ongeveer 1/5 zijn van de schouderhoogte. De breedte moet ongeveer gelijk zijn aan de lengte, en tussen 14,5-16 cm liggen. De buik verloopt als een voortzetting van de borstkas aan de onderzijde bijna horizontaal. De flanken moeten in de langs richting overeenkomen met de lendenen. De buik is groot. De flanken zijn iets opgetrokken. Het kruis, dat de enigszins rond overlopende lijn van de lendenen voortzet, moet breed, sterk en gespierd zijn. Het dwars verloop tussen de beide zijden der lendenen moet ongeveer 1,5/10 van de schouderhoogte zijn. Het kruis dient duidelijk gevormd te zijn om aan de onderzijde van de lendenen aan te sluiten. De lengte van het kruis moet ongeveer 3/10 van de schouderhoogte bedragen. De kromming moet met ongeveer 30% afnemen als men de horizontale lijn in aanmerking neemt die de voorkant van het bakken met het zitbeen verbindt.
Schouderhoogte: reuen 65-75 cm, teven 60-68 cm. Gewicht: reuen 50-70 kg, teven ongeveer 15% minder.

Benen

Voorhand: de bovenarm is met ongeveer 2/3 van het bovengedeelte van de romp verbonden. Hij moet, evenals de schouders, voorzien zijn van sterke, droge en goed ontwikkelde spieren. De hoek die wordt gevormd door het bovenarmbeen met het horizontale vlak, bedraagt ongeveer 55-60°. De lengte van de bovenarm is ongeveer 30% van de schouderhoogte en loopt vrijwel parallel aan de middellijn van de romp. De onderarmen staan verticaal. Ze hebben uitzonderlijk sterk bot. De lengte is bijna gelijk aan die van de bovenarmen. De onderlangse plooi die wordt gevormd door de ellepijp en het spaakbeen, dient duidelijk zichtbaar te zijn. De lengte van de onderarm tot aan de elleboog bedraagt ongeveer 5,2/10 van de schouderhoogte. De met veel losse huid bedekte ellebogen lopen parallel aan de middellijn van het lichaam en moeten niet te dicht tegen de borstkas aanliggen omdat dit de aftekening van de okselholte verhindert. Ze mogen echter ook niet naar buiten uitgedraaid zijn. De punt van de elleboog moet zich op de loodlijn bevinden die vanaf de achterste punt van het schouderblad kan worden getrokken. De pols moet in het verlengde van de onderarm liggen. Hij moet breed, droog en glad zijn, zonder zichtbaar bot, behalve aan de achterzijde waar het sesambeen uitsteekt. De middenvoeten moeten enigszins naar achteren hellen, maar van voren gezien dienen zij de verticale lijn van de onderarm te volgen.
Van opzij gezien bedraagt de hoek van de naar achter hellende middenvoet ongeveer 70-75°. De lengte mag niet meer bedragen dan 1/6 van de totale lengte van de onderarm tot aan de elleboog. Achterhand: de dij is lang en breed, met zware, duidelijk zichtbare spieren. De achterkant neigt er toe recht te zijn. De lengte mag niet minder dan 1/3 van de schouderhoogte bedragen. De buiging is ongeveer 60°, en vormt met de heup van achteren naar voren bijna een rechte hoek. De verticale lijnen in aanmerking genomen dient de achterhand parallel aan het lichaam te verlopen. Het onderbeen bestaat uit zwaar bot en sterke spieren. De lengte ervan is iets korter dan die van het bovenbeen. De hoek bedraagt van voor naar achter ongeveer 50-55°. De hoek die wordt gevormd door het kniegewricht, bedraagt ongeveer 110-115°. De plooi die wordt gevormd tussen scheenbeen en kuitbeen, moet duidelijk zichtbaar zijn. De zijden van de sprong kunnen nauwelijks te breed zijn. Door de stand van het onderbeen wordt van voren een stompe hoek gevormd.
De afstand van de voetkussens tot aan de sprong bedraagt ongeveer 2,6/10 van de schouderhoogte. Van achteren bezien moeten de achterwaartse lijnen van het spronggewricht en de achterkant van de dij in één vlak liggen. De voorste hoek (dat wil zeggen de hoek die wordt gevormd door het onderbeen en de middenvoet) bedraagt 140-145°. De middenvoet moet krachtig en bijna rond van vorm zijn. De lengte moet ongeveer 1/4 van de schouderhoogte bedragen. Zowel van achteren als van opzij gezien moet de middenvoet loodrecht zijn. Eventueel aanwezige hubertusklauwen (enkele als dubbele) moeten worden verwijderd.

Voeten

De voorvoeten zijn ovaal, zeer groot, goed gesloten en gewelfd. De kussens zijn droog, hard en goed gepigmenteerd. Sterk gebogen nagels. De achtervoeten zijn gelijk aan de voorvoeten, maar niet zo groot.

Staart

Aan de wortel krachtig, en naar de punt iets toelopend. Als de hond in rust is, wordt de staart voor 2/3 hangend en voor het 1/3 iets naar boven gebogen gedragen. De staart wordt nooit rechtop of over de rug gekruld gedragen. Als de hond in actie is, wordt de staart horizontaal of iets boven de ruglijn gedragen. De lengte van de staart is gelijk aan of iets langer dan het spronggewricht. De staart is op ongeveer 1/3 van de lengte gecoupeerd.

Vacht

Over het gehele lichaam veel losse huid, vooral op het hoofd, waar veel losse plooien worden gevormd, en aan de keel, waar zich een wam vormt. Het haar moet dicht, van gelijke lengte, glad, fijn, kort en niet langer dan 1,5 cm zijn. Er mag op geen enkel deel van het lichaam, ook niet op de benen of op de staart, een spoor van lang haar zijn, hoe klein ook. De vacht moet glanzen.

Kleur

De toegestane vachtkleuren zijn zwart, grijs, blauwgrijs, bruin, reebruin en vosrood. Alle kleuren mogen gestroomd zijn. Kleine witte aftekeningen op de borst en op de punten van de tenen zijn toegestaan. De pigmentatie van de opperhuid moet donker zijn, afhankelijk van de donkerste kleur van de vacht. De kleur van de nagels en die van de voetzolen moeten altijd donker zijn.

N.B.: de geslachtsorganen dienen volmaakt en voltallig aanwezig te zijn, en een gelijke ontwikkeling van de testikels te hebben.

Bijzonderheden

Gangen: een typisch kenmerk van dit ras is het gangwerk; het is slungelachtig en langzaam, als bij een beer; de draf is langzaam en met grote, veel bodem bedekkende stappen; de galop komt zelden voor.


Algemene fouten: gebrek aan type en afwijkende formaten, namelijk hoger dan de maximumhoogte en meer dan 3 cm onder de minimumhoogte; scheelzien; monorchisme of kryptorchisme.


Fouten van het hoofd: ernstig naar voren of naar achteren aflopende schedel; duidelijk bol of hol voorhoofd, of een voorhoofd dat duidelijk te lang is en uit balans met de rest van het hoofd.


Fouten van de staart: afwezigheid van de gehele staart; staartloos geboren; met te korte staart geboren; een knik.


Fouten van de vacht: witte vacht of een vacht met uitgebreide witte vlekken op de ledematen (hoger dan de sprong, bij het achterbeen) of het hoofd; kleine witte vlekjes op borst en buik zijn toegestaan; een totaal ongepigmenteerde neus; totaal ongepigmenteerde oogleden; een glasoog.

Gebit: bovenvoorbijten of ondervoorbijten met een onderbeet van meer dan 8 mm; afwezigheid van meer dan zes gebitselementen, het ontbreken van meer dan twee snijtanden, één hoektand of twee kiezen.

Karakter
Fouten van het karakter: zeer agressieve individuen of zeer angstige individuen.

Gezondheid van de Mastino Napoletano

De Mastino Napolitano kan HD-problemen (heupdysplasie) en epilepsie hebben.

De kans dat deze aandoeningen bij een hond uit geteste ouders voorkomt is veel kleiner dan uit niet geteste ouders.
Vraag dus aan de fokker naar de testresultaten van de ouders, een goede fokker laat deze graag zien en heeft kopieën van de resultaten van de vader of kan deze via een site laten zien.

De HD- en oogtest worden door een specialist uitgevoerd.
Voor HD worden rontgenfoto's gemaakt en beoordeeld door de Raad van Beheer.

De beste uitslag voor HD is HD-A. Met HD-B (een overgangsvorm) mag ook vaak gefokt worden.
Bij de ECVO-oogtest is VRIJ de uitslag die je op het certificaat wil zien.


Verzorging van de Mastino Napoletano

VERHARING : blokverharing. DAGELIJKSE BEHANDELING : met grove kam en borstel de losse haren verwijderen. GROTE BEHANDELING : wanneer de vacht verhaart, ziet men tegen de tijd dat de hond gaat verharen kleine pluisjes wol uitsteken. Dat is het teken dat de hond echt aan het verharen is. De loszittende ondervacht kan men met een herdersharkje verwijderen. Enkel wassen indien echt nodig. Oren reinigen. Kijken of er vuil in de ogen zit en reinigen. Nagels knippen indien nodig en het teveel aan haar tussen de voetzolen wegknippen. Opgelet : plooien verzorgen ! VOOR- EN NADELEN VAN DE VACHT : weinig onderhoud, maar wel veel losse haren in huis.

Opvoeding van de Mastino Napoletano

De Mastino napoletano is rustig en zeer evenwichtig van aard. Het opvoeden van de Mastino napoletano vereist een speciale aanpak, die alleen succesvol zal zijn als de eigenaar voldoende (praktijk)kennis van het ras heeft vergaard, en zelf rustig en zelfverzekerd kan optreden. Als men voor de juiste hondenschool kiest kan een simpele puppy-training voldoende zijn.

Ondanks zijn grootte heeft de volwassen Mastino Napolitano slechts een gemiddelde behoefte aan beweging. Eén korte wandeling per dag volstaat om hem fit te houden.

Rasvereniging van de Mastino Napoletano

M.N.C.N

Mastino Napoletano Club Nederland.

www.mncn.nl

Overige informatie over de Mastino Napoletano

Het trainen cq opvoeden van de hond vereist een speciale aanpak, die alleen succesvol zal zijn als de trainer/eigenaar voldoende kennis van het ras heeft, en zelf rustig en zelfverzekerd kan optreden. Als men voor de juiste hondenschool kiest is een simpele puppy-training voldoende.

Erfelijke ziekten
Heupdysplasie kan in dit ras voorkomen. Entropion komt ook voor. Voorgenoemde ziekte wordt vaker beïnvloed door de grote hoeveelheid huid die dit ras heeft. Hierdoor hebben ze vaker te maken met huidproblemen, al dan niet over het gehele lichaam..

Tijdens de groeiperiode is dit ras onderhevig aan gewrichtsproblemen aan ellebogen, heupen en knieën.